Zo promoot je je psytrance-muziek: een praktische gids voor producers
Ken je luisteraars, bouw een eigen thuisbasis, gebruik social media met een plan, maak van luisteraars fans, werk met labels en organisatoren en let op de juiste cijfers.
Kick, bas, bas, bas: hoe het klassieke rolling-patroon werkt, met welk geluid je begint en hoe je kick en bas laat samenvallen zodat het laag schoon en punchy blijft.
In psytrance is de bassline de helft van de groove. Kick en bas vormen samen de rollende motor die een dansvloer urenlang in beweging houdt, en het grootste deel van wat een platte track onderscheidt van een track die je meesleept, gebeurt in deze twee elementen. Zo bouw je er een die werkt.
De klassieke psytrance-bas speelt op de zestienden tussen de kicks. De kick valt op elke tel, de bas vult de drie zestienden erna: kick, bas, bas, bas. Dat patroon heet een rolling bass, en het is de ruggengraat van full-on en een groot deel van progressive. Een veelgebruikte variant laat een van de drie noten weg, wat een galopperend gevoel geeft.
Waar het om gaat: kick en bas klinken nooit op hetzelfde moment. Daardoor is het laag tegelijk schoon en punchy, en daarom zijn de staart van de kick en de lengte van de basnoten zo belangrijk.
De meeste psytrance-bassen beginnen simpel: één zaagtand- of blokgolfoscillator door een low-pass filter. Het karakter komt van een envelope op de filter-cutoff met een snelle attack en een korte decay, zodat elke noot een korte, plukkerige bite krijgt en daarna weer dichtgaat. Houd ook de amp-envelope kort, zodat elke noot eindigt voor de volgende kick.
Een beetje modulatie houdt de lijn levend. Laat een LFO of een automatiseringsspoor de cutoff of de envelope-hoeveelheid over meerdere maten bewegen, of varieer de velocity van de drie noten een beetje. Kleine veranderingen zijn genoeg, want het patroon herhaalt zich lang en de luisteraar merkt elke verschuiving op.
Veel producers splitsen de bas in twee lagen. Een sinusgolf draagt de sub, grofweg het bereik onder 100 Hz. Een tweede laag met de gefilterde zaagtand of blokgolf draagt de bite in het lage mid. Elke laag krijgt een eigen taak: de sub geeft gewicht, de bovenlaag de klik en de beweging die je op kleine speakers hoort.
Houd alles onder ongeveer 120 Hz in mono. Stereo-effecten, brede chorus of reverb horen hooguit op de bovenlaag, en ook daar in kleine doses. Reverb op de sub smeert het laag uit.
Stem de kick op de toonsoort van de track en kies de toonsoort van de bas zo dat de grondtoon laag zit maar helder blijft op een groot systeem. Laat de twee daarna in de tijd op elkaar aansluiten: maak de kickstaart of de attack van de bas korter tot er geen overlap meer is. Veel producers laten de bas ook wegduiken met sidechain of een volume-shapingtool precies waar de kick slaat, niet voor een hoorbaar pompen maar om te voorkomen dat de twee in elkaar overlopen.
Saturatie of lichte distortion op de bovenlaag voegt boventonen toe, waardoor de bas ook op koptelefoons en laptopspeakers hoorbaar is. Compressie is hier meestal zacht, want de korte envelopes houden het niveau al gelijkmatig.
Vergelijk je track op dezelfde luidheid met een paar releases die je goed vindt in dezelfde stijl. Luister op een goed systeem, op een koptelefoon en op een kleine speaker. Verdwijnt de bas op de kleine speaker, dan heeft de bovenlaag meer presence nodig. Dreunt hij op het grote systeem, dan is de sub te luid of te lang.
Speel daarna de hele track van begin tot eind. Een bassline die acht maten lang geweldig klinkt, kan je na zes minuten vermoeien. Kleine veranderingen in het filter, het patroon of de nootlengtes op de juiste momenten houden de energie hoog zonder de flow te breken.